Arboretum, Oudenbosch okt. 2012
Om 11.00 uur ontvangt gids Leo van de Berkmortel ons. Hij vertelt over de geschiedenis van de tuin, die destijds aan de Broeders van St. Louis behoorde. Het internaat voor jongens is in 1840 gebouwd en in 1983 als zodanig opgeheven. Van de tuin, oorspronkelijk 5 ha groot, is 4 ha aan de gemeente geschonken en 1 ha aan de paters Jezuïeten. De gemeente moest beloven de tuin in stand te houden én aan de gemeenschap ten goede laten komen. De entree van de tuin begint bij de vroegere bakkerij, gebouwd door architect Molenaar, leerling van Pierre Cuypers. Hij gaf er de naam Paleis voor Volksvermaak aan. Nu fungeert dit gebouwtje als ontvangsthal en als hobbyruimte voor kunstenaars uit de omgeving.
In 1987 heeft de gemeente de Stichting Aboretum opgericht. De € 20.000 subsidie gaat op aan onderhoud. Momenteel is de tuin 75 vrijwilligers rijk. En, iedereen kan sponsor worden; naarmate de hoogte van het gedrag is zijn naam beter zichtbaar in het park.
Vooraan staat een witte paardenkastanje met mineurmot (ziekte uit de Balkan afkomstig) die de blaadjes verkleurt. De witte paardenkastanje is groter dan de rode kastanje. Die rode paardenkastanje heeft een bloedziekte gehad (plek van de bloeding is nog te zien). Door inwrijven met koper en rondom diepe groeven te graven en die vol grind te storten, is een betere afwatering ontstaan. Zo is deze boom genezen. Tegenover de boom staan Amerikaanse bospadenstruiken, die geen herfstkleur krijgen; verderop een Perzische plataan of ijzerhout die in februari op kale tak bloeit. Een imposante treurwilg trekt meteen de aandacht, geplant in 1840. Deze is op een beuk geënt, zijn langste tak bereikt 18 m; daarom heeft de treurwilg ondersteuning nodig. De wintercyclaampjes steken nogal af tegen die grote treurwilg.
Daarna komt een gewone plataan, de Plantaceae platanus hispanica van vóór 1840, ontstaan uit een kruising van Spaanse met Oostenrijkse platanen. Vervolgens lopen we langs een cipres, een aardbeiboom (bloeit in november) en monnikspeper, Vitex agnus-castus ofwel kuisheidskruid. De koks van St. Louis verwerkten om de paar maanden wat pepers in het voedsel van hun medebroeders, niet bij de studenten.
Dan staan we stil bij een blad behoudende steeneik die uit een kruising van een Oostenrijkse en onze eik is ontstaan. De bast van de Amerikaanse berkenboom is zwart, de onze wit. Ook zien we wilde appelbomen: die voor de geur met Europese en Aziatische bomen worden gekruist. Langs een grote laan staan zilverlinden. Hiernaast is een Aziatische tuin met Japanse esdoorn, prachtig met donkerrood blad. De Chinese esdoorn voelt koud aan door het grondwater.
Ook is er een Theofaan, gemuteerd tussen Japanse sierkers en Japanse notenboom. Dan is er de keizerboom, oorspronkelijk uit China, door Japanners heimelijk ingevoerd en keizerboom genoemd, omdat hij toen alleen in de tuin van de keizer mocht staan. Dan zien we een strook hortensia’s.
Als laatste zagen we een klein bos met om en om eiken en essen. Die afwisseling vindt zijn oorsprong bij de riten van de oude Germanen. Via de es stegen dese gebeden en verzoeken op naar de goden en via de eik daalden ze naar beneden. Als laatste zagen we de acacia, de oorspronkelijke naam is Robinia.

Door tijdgebrek hebben we het laatste deel van de tuin niet gezien. Een reden om nog eens terug te komen. 
Ad van de Pol en Jules de Nivelle