Boxtel 22 febr en 5 april 2017

Hieronder een verslag van de inleiding door Frans Kapteins over “Speuren naar diersoorten” op 22 febr.

In een leefgebied van dieren herken je ze aan hun uitwerpselen of aan hun braakballen. Vleesetende dieren hebben vaste uitwerpselen, de planten etende dieren hebben meer losse uitwerpselen vanwege de plantenresten. Vogels hebben ook uitwerpselen, maar hierbij zit ook urine (ziet er witachtig uit).

Ree en edelhert
Hun spoor heeft meestal 2 tenen. Hier komen vooralsnog alleen reeën voor. Reeën zijn vluchtdieren, ze zijn bang voor honden en mensen. Ze ruiken hondensporen op 1 km afstand en slaan in paniek in diverse richtingen op de vlucht. Hun ogen zien dan wit van angst. Zo kan het gebeuren dat ze uit angst tegen een auto lopen.
Vooral bokken hebben mooie donkere winterharen. Er zijn nog enkel witte vrouwtjes reeën, die hebben een pigmentverminking. Maar de witte reebok is dood, zodat er geen nieuwe witte reeën meer komen. De reebok schuurt in het voorjaar zijn kop tegen een veegboom (liefst lijsterbes), om zijn geurklieren weer te prikkelen. Het leger van een reegeit verschilt van dat van de reebok. Allebei worden maar eenmaal gebruikt en allebei zitten ze vol teken die niet gevaarlijk voor reeën zijn, maar wel voor mensen. Afblijven dus! Reeën leven in bokken- en geitengroepen van 6 tot 7.
Binnenkort komen edelherten in Brabant: eerst worden ze in een stevig afgesloten gebied uitgezet, om een ‘moedergebied’ te ontwikkelen dat ze herkennen en waarheen ze terug kunnen komen, nadat ze op pad zijn gegaan.
Edelherten en wilde zwijnen gebruiken een zoelplek, modderplek, om ongedierte en plantenresten van hun huid te schrobben.
Wilde zwijnen zijn heel slim. Waar geschoten wordt, verdwijnen ze. Ze kunnen zich heel goed verstoppen en ze krijgen van de weeromstuit meer jongen! Kapteins vindt het tijd dat in Brabant de zogenaamde nul-optie wordt afgeschaft.

Vos
Prent van een vos: heeft de afdrukken van zijn voortenen tegen de achterste teen. Hij bouwt slechts een ingang en een vluchtgang voor zijn hol. De drol van een vos is echt een ‘flats’ als van koeien. Dat komt door de mestkevers waar ze dol op zijn.

Bever
Bevers laten knaagsporen achter. Het is het grootste knaagdier van Europa en het één na het grootste van de wereld. Als ze zwemmen, zie je alleen hun kopje, van waterratten zie je ook het achterlijf. Bevers halen een kleine boom in één nacht om; grote in een paar nachten!!! De spaanders zijn 6 à 7 cm lang. Bevers gebruiken alleen de takken voor hun burcht; eten ’s winters graag wilgentakken en anders waterplanten.
Het mannetje bouwt de nieuwe burcht, later geholpen door het vrouwtje. Op het takkenbouwsel komt zand. De burcht heeft 3 kamertjes en een uitloopspoor, om aan land te gaan. In Nederland bouwen bevers geen dammen, wel in het buitenland.

Das
Prent van een das: die heeft dikke kussentjes onder zijn nagels. Onder verkeerswegen zijn buizen aangelegd, om dassen een veilige doorgang te bieden. Ze eten regenwormen en egels die ze van binnenuit uithollen. Een dassenburcht heeft aanmerkelijk veel pijpen, dassen maken elke dag hun burcht schoon. Voor de ingang van het hol maken ze een speelplek voor de jongen met extra pijpjes. Een dassenwissel is een dassenpad; ze gaan altijd over hetzelfde pad, om eten te zoeken; in tegenstelling tot de vos. In de Loonse en Drunense Duinen zijn 6 dassen uitgezet. Nu zijn er al 70 geteld. Vos en havik pakken dassen. IJslandse paarden lopen ook over wisselsporen.

Konijnen
Ingang van een konijnenhol is een pijp die uitwaaiert met keutels voor ‘de deur’. Eten niet alleen ’s winters de eigen keutels op; 

Ad van de Pol

Woensdag 5 april 2017, Uitgestelde speurtocht door de Kampina op zoek naar sporen, vanaf Lennisheuvel nabij Boxtel

Bij de start geeft Frans Kapteijns een toelichting op ligging en ontstaan van de Kampina. Door de Kampina lopen de beken de Beerze en de Rosep. In 1845 is dit gebied door de heer ten Brink aangekocht. Hij maakte er een houtproductiebos van met twee gekruiste, rechte banen voor aan- en afvoer. Van hem kocht de politicus Gijsbert van Tienhoven het natuurgebied. Die stopte met de houtproductie. Later erfde zoon Pieter van Tienhoven (1875-1953) het gebied: hij vormde het om tot een landgoed. Hij was zó met de natuur begaan, dat hij “Vogeltienhoven” werd genoemd. Hij liet een zwerfsteen uit Drenthe aanvoeren en heeft die geplaatst op een mooie plek laten plaatsen: onder die steen ligt zijn as. In 1924 is de Kampina in handen van Natuurmonumenten gekomen. De hei is tientallen jaren niet geplagd, vanwege chemische verontreiniging door regen en lucht en de afvoer van gifafval veel te duur zou worden. Nu zijn die omstandigheden beter en wordt er weer geplagd.
Net gestart met lopen, zien we enkele legers van reegeiten. Ook lag er een harde keutel met scherpe zijkant, soort beukennootje. Iets verder een leger van de bok. Vlak erbij zien we twijgen en takjes, die een reebok met zijn gewei van een veegboom heeft afgeschaafd. Iets verder ligt een vossendrol met botjes en geur, om zijn gebied af te bakenen. Bij een bijna dode eik zien we een rond gat, door een bonte specht gemaakt. Rond de wond van een gewaaide tak heeft de boom zelf de sappen de wond verzorgd. Nu heeft de specht het gat in de dode boom verder uitgehold en er zijn nest in gebouwd. Verderop zien wij een zwart gat van ca. 6 cm in een den; niet door een specht gemaakt, want een dennenboom heeft hars dat verdraagt een specht niet aan zijn bek.
Aan de rand van een pad ligt sterrenschot, een bijna doorzichtige braakbal van een bunzing. Die krijgt last van zijn maag door de eileiders van kikkers. Bij een grote den zien wij een spechtensmidse. De specht klemt een mastappel in ruwe boomschors en peuzelt vervolgens de zaden eruit. Is de ene leeg, gooit hij die weg en begint aan de volgende. Onder deze den staat klein beukenkiemblad dat door te weinig zon niet kan opgroeien. Wij komen heel wat (heel) hoge mierenkoepels tegen. Bij eentje zien we een dassenpad: een das eet graag mieren. Door de paarden en koeien die hier los rondlopen, liggen her en der hun uitwerpsels. Mestkevers leggen hier hun eitjes in en vogels eten weer de larven ervan.
De zwarte en groene specht eten graag mieren. In verrotte boomresten maken boktorren grote gaten en een gewone kever kleinere gaten. Kapteijns vindt een braakbal van een bosuil.  Hij maakt die open en laat ons deeltjes van tanden, stukje bot en een stuk schedel van twee muisjes zien. Ook zien wij een harsmannetje, een restant van een vlinder die aan een naaldboom kleeft. Ook ontdekken wij een vossenhol. Verderop komen wij bij een prachtig groot ven in een duinachtige omgeving. Die stamt, met het opgestoven zand, uit de ijstijd. Door de wind is er zand opgewaaid en elders neergelegd.
Er zijn nogal activiteiten waar te nemen. Wij zien nijlgansenzwaluwenfutentafeleendenslobeenden en kuifeenden, al of niet bezig met een volgende generatie Aan de oever zien we zandbijtjes, die nu een maand boven de grond leven en de rest van het jaar onder de grond. Bij een dode boom zien we mierenleeuwtjes in kleine kuiltjes. Ook een grijze zandbij ontdekken we. Bij een boom zien we een klein recht gat dat van een wezel kan zijn. Hierna komen wij bij een dode boom waarvan de bast over de grond verspreid ligt. De zwarte specht ondereen kleine gaten om de boom om te laten vallen. Als laatst zien wij een boom een galknikker. Hierin heeft het eitje van een galwesp gezeten. Aan de onderkant zit het gaatje, waaruit het jong is gekropen. Kapteijns verteld dat in zijn jeugd met dit ronde bolletje geknikkerd werd.
Hiermee kwam een einde aan deze leerrijke en boeiende morgen.

Ad van de Pol